AVG en pensioenberekeningen

AVG en pensioenberekeningen

Sinds 1 juli 2023 is de nieuwe Pensioenwet van kracht. Die zorgt ervoor dat pensioenfondsen uiterlijk 1 januari 2028 moeten zijn overgestapt naar een nieuw stelsel, waarin iedere pensioengerechtigde zijn eigen potje opbouwt. Sommige pensioenfondsen kiezen ervoor om het pensioen dat mensen onder het oude stelsel hebben opgebouwd om te zetten naar het nieuwe stelsel (‘invaren’). Pensioenfondsen die kiezen voor ‘invaren’, zijn druk bezig om uit te rekenen hoe ze in dat kader de collectieve pot onder hun individuele deelnemers moeten verdelen.

Sommige pensioendeelnemers willen met eigen ogen zien of die berekening wel eerlijk verloopt en hebben daarom inzage in de berekeningen gevraagd. Het antwoord van het pensioenfonds valt niet altijd in de smaak. Dat heeft in verschillende gevallen geleid tot verzoeken bij de rechtbank om het pensioenfonds te veroordelen om informatie te verstrekken op basis van het inzagerecht in artikel 15 AVG. Die verzoeken worden over het algemeen afgewezen. In december 2025 en januari 2026 zijn daar diverse voorbeelden van gepubliceerd (1). De rechtbanken verklaarden de verzoekers niet-ontvankelijk, of wezen hun verzoeken af. Afwijzing gebeurde steeds op basis van dezelfde redenering: een pensioenberekening is geen persoonsgegeven en valt daarmee buiten het inzagerecht van artikel 15 AVG.

Die lijn is inmiddels herkenbaar. De vraag is of zij juist en volledig is.

Buiten rechte geen expliciet beroep op de AVG? Dan: niet-ontvankelijk.

In sommige gevallen strandden de verzoeken van de betrokkenen in de rechtbank op een procedureel gebrek: als de betrokkene in zijn communicatie met het pensioenfonds alleen om pensioenberekeningen had gevraagd en daarbij geen expliciet beroep heeft gedaan op het inzagerecht, laat artikel 35 UAVG niet toe dat er een verzoekschrift ter afdwinging van het inzagerecht wordt ingediend bij de rechtbank. De gang naar de rechtbank staat pas open als er bij de verwerkingsverantwoordelijke een herkenbaar beroep op een AVG-recht is gedaan en de verwerkingsverantwoordelijke daar afwijzend op heeft beslist. Wanneer er tegenover het pensioenfonds geen duidelijk beroep op de AVG was gedaan, wordt de betrokkene door de rechtbank dus niet-ontvankelijk verklaard.

Ook inhoudelijk geen succes

In de gevallen waarin de betrokkene buiten rechte wel een expliciet beroep op de AVG had gedaan, moesten de rechtbank wel inhoudelijk oordelen. De rechtbanken die de betrokkenen niet-ontvankelijk verklaarden, gingen overigens ‘ten overvloede’ ook op de inhoud in. Voor de betrokkenen eindigde dat echter in dezelfde teleurstellende uitkomst: in alle gepubliceerde voorbeelden werden de verzoeken afgewezen. De motivering van de rechtbank: artikel 15 AVG geeft alleen recht op inzage in persoonsgegevens en een berekening is geen persoonsgegeven.

Verwijzing naar het Nowak-arrest

Rechterlijke vonnissen hebben doorgaans een vaste opbouw: eerst wordt samengevat welke regels en definities de rechtbank gaat toepassen (onder het kopje ‘wettelijk kader’ of ‘juridisch kader’). Daarna wordt inzichtelijk gemaakt hoe de feiten van de individuele casus aan die regels en definities worden getoetst. In de uitspraken over de pensioenberekening verwijzen de rechtbanken onder het kopje ‘wettelijk kader’ steeds naar hetzelfde arrest van het HvJ EU: het Nowak-arrest (2).

In het Nowak-arrest geeft het HvJ EU een zeer ruime interpretatie van de term persoonsgegevens: deze strekt zich potentieel uit tot “elke soort informatie, zowel objectieve informatie als subjectieve informatie onder de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene ‘betreft’.” In de casus van het Nowak-arrest leidde deze ruime interpretatie tot de beslissing dat de betrokkene recht had op integrale inzage in zijn antwoorden op een examen én in de opmerkingen die de examinator daarbij geschreven had. Kortom: ook de gedachtegang van de examinator die uiteindelijk had geleid tot een bepaalde score op het examen, werd aangemerkt als een persoonsgegeven ten aanzien van de betrokkene.

Toch komen de rechtbanken in de uitspraken over de pensioenberekeningen tot de beslissing dat de gedachtegang van het pensioenfonds die tot een bepaalde score – in dit geval: de hoogte van het pensioen – van de betrokkene heeft geleid, géén persoonsgegeven zou zijn. Dat is best opmerkelijk, want waarom zou de beoordeling (van een examinator) die leidt tot iemands examencijfer wel een persoonsgegeven zijn, maar de beoordeling (van het pensioenfonds) die leidt tot iemands pensioenbedrag niet? Die denkstap wordt door de rechtbanken niet uitgelegd.

Passen de rechtbanken eigenlijk stilzwijgend het IND-arrest toe?

Wat zou nou volgens de rechtbanken het verschil zijn tussen de opmerkingen van de examinator van Nowak en de berekening van een pensioenfonds? Misschien ligt de sleutel in het IND-arrest van het HvJ EU. Dat arrest is enkele jaren ouder dan het Nowak-arrest (2014 resp. 2017) en er wordt door sommige juristen wel vanuit gegaan dat het HvJ EU sinds 2017 een aanzienlijk ruimere benadering van het inzagerecht voorstaat dan voorheen (3). Toch kan niet al te snel worden aangenomen dat een ouder arrest iedere relevantie verliest als er nieuwere rechtspraak komt over het hetzelfde onderwerp. Het IND-arrest heeft in ieder geval gedurende meerdere jaren de rechtsgeleerdheid over het inzagerecht beheerst.

In de IND-zaak wilden twee betrokkenen weten welke interne afwegingen er vooraf waren gegaan aan de beslissing om hen een verblijfsvergunning te weigeren. Toen heeft. het HvJ EU bepaald dat het inzagerecht wel ziet op de persoonsgegevens die verwerkt zijn bij het nemen van de beslissing om de vergunning te weigeren, maar niet bedoeld is om toegang te geven tot de(juridische) analyse die ten grondslag lag aan de beslissing als zodanig. Die analyse op zichzelf viel volgens het HvJ EU niet binnen de definitie van een persoonsgegeven.

Het zou kunnen dat de rechtbanken de berekening van het pensioenfonds eerder vinden lijken op een juridische analyse zoals in het IND-arrest dan op de beoordeling van een examinator zoals in het Nowak-arrest. Of dat juist is, staat nog niet definitief vast – misschien gaan de betrokkenen wel in hoger beroep. Voorlopig zullen zij het echter nog moeten doen met de beslissingen van de rechtbanken.

Maar de transparantie dan?

Stel dat de rechtbanken gelijk hebben in hun beslissing dat een pensioenberekening geen persoonsgegeven is.  Moeten pensioengerechtigden dan maar accepteren dat de hoogte van hun pensioen na de wijziging van het pensioenstelsel een apodictische uitkomst uit een ondoordringbare black box blijft? Dat zou toch wat gek zijn, in het licht van het transparantiebeginsel van de AVG.

Artikel 5 lid 1 AVG vereist dat persoonsgegevens rechtmatig, behoorlijk en transparant worden verwerkt. In de considerans van de AVG – het gedeelte van de verordening waarin de Europese wetgever uitlegt wat de achterliggende gedachte van de bepalingen van de AVG is – wordt onderstreept dat transparantie niet alleen ziet op de inhoud van de persoonsgegevens zelf, maar ook op wat er met de persoonsgegevens gebeurt. Niet alleen moeten de persoonsgegevens zelf juist zijn, maar zoals overweging 39 vooropstelt: “Elke verwerking van persoonsgegevens dient behoorlijk en rechtmatig te geschieden.”

Een pensioenberekening mag zelf dan – misschien (!) – geen persoonsgegeven zijn, zij vormt wél de verwerking van persoonsgegevens. In een van de uitspraken benoemt de rechtbank ook expliciet dat de berekening tot stand komt met gebruikmaking van persoonsgegevens van de betrokkene (4). Overweging 63 van de considerans maakt duidelijk wat de functie van het inzagerecht is: de betrokkene moet “zich van de verwerking op de hoogte kunnen stellen en de rechtmatigheid daarvan kunnen controleren”.

Als de verwerkingsverantwoordelijke alleen de persoonsgegevens zelf hoeft te tonen, maar niet hoeft prijs te geven wat hij ermee gedaan heeft, blijft er van controle op de rechtmatigheid van de verwerking weinig over.

Het verschil tussen een berekening en een (juridische) analyse

In het IND-arrest overwoog het HvJ EU dat het inzagerecht uit de AVG niet bedoeld is om de juistheid van de analyse achter een beslissing te controleren of het recht van burgers op toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren (r.o. 45 en 46). Let wel: dat wil niet zeggen dat burgers dergelijke rechten niet hebben – in Nederland hebben zij dat bijvoorbeeld op grond van art. 3.47 lid 1 Algemene Wet Bestuursrecht, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de Wet Open Overheid wel degelijk. Het punt van het IND-arrest is dat de AVG specifiek ziet op de bescherming van persoonsgegevens en niet op de bescherming van een meer algemeen grondrecht op eerlijke behandeling door (openbare) instanties.

Maar het onderscheid tussen een juiste verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG en de eerlijkheid van besluitvorming door de verwerkende instantie is bij een wiskundige berekening een stuk moeilijker te maken dan bij een juridische analyse. Wanneer een mens (bijvoorbeeld een medewerker van de IND) een juridische analyse maakt, weegt hij rechten en feiten en belangen tegen elkaar af, laat daarbij zijn geweten en rechtvaardigheidsgevoel spreken en komt dan tot een beslissing. Bij het uitvoeren van een wiskundige berekening komt die gewetensstap niet aan de orde, althans: niet in het individuele geval (5).

Naar mening van ondergetekende is het toepassen van dezelfde berekeningsmethodiek op talloze (sets van) persoonsgegevens niet hetzelfde als het maken van een juridische analyse in een individueel geval. Zeker niet, als de berekening niet handmatig door een mens wordt gemaakt, maar geautomatiseerd met een computer. In dat geval komt artikel 15 lid 1 sub h AVG in beeld:

Op grond van art. 15 lid 1 sub h AVG dient een verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene te informeren over de vraag of er geautomatiseerde besluitvorming plaatsvindt. Zo ja, dan dient aan de betrokkene ook ‘nuttige informatie over de onderliggende logica’ te worden gegeven. Artikel 15 lid 1 sub h AVG hangt samen met artikel 22 AVG: het recht van betrokkenen om niet zonder passende rechtsbescherming te worden onderworpen aan een besluit met rechtsgevolgen, dat genomen is op basis van uitsluitend een geautomatiseerde verwerking. Zoals bijvoorbeeld: het vaststellen van de hoogte van iemands pensioen (een besluit met rechtsgevolg) op basis van een door de computer gemaakte berekening (een geautomatiseerde verwerking).

Als een pensioenfonds iemands pensioen vaststelt op basis van een computerberekening, dient daarbij op grond van artikel 22 lid 3 AVG op zijn minst een realistische mogelijkheid aan de betrokkene te worden geboden om zich een standpunt te vormen over die berekening (6). Artikel 15 lid 1 sub h AVG maakt duidelijk dat daartoe in ieder geval nuttige informatie over de logica van de berekening moet worden gegeven.

De enkele vaststelling dat de berekening zelf geen persoonsgegeven is en daarom nooit het onderwerp zou kunnen zijn van een inzageverzoek op grond van de AVG, zou in het licht van het geautomatiseerde karakter van de berekening wel eens te kort door de bocht kunnen zijn.

Terug naar de praktijk

Wie het bovenstaande leest, zou zich misschien af kunnen vragen: waarom wil het pensioenfonds de gevraagde berekeningen eigenlijk niet gewoon geven? Als het niet op basis van de AVG verplicht is om inzage te geven, kan de betrokkene deze desnoods op een andere grond (bijv. art. 194 Rv) opvragen. Bij lezing van de zes uitspraken die aanleiding gaven tot dit artikel, is te zien dat de pensioenfondsen in sommige gevallen nog helemaal geen berekening hadden gemaakt. Tja, dan valt er ook niets te verstrekken. In andere gevallen had de onvrede van de betrokkene vooral betrekking op de effecten van de nieuwe pensioenwetgeving als zodanig (bijvoorbeeld de onzekerheid die deze met zich brengt voor de toekomstige waardeontwikkeling van pensioenen). Daar zou inzage in de berekening van het pensioenfonds per definitie geen verandering in brengen. Dat de verzoekschriften in de betreffende gevallen niet tot een toegewezen inzage hebben geleid, is in het licht daarvan – in praktische zin – te billijken.

Dat neemt niet weg dat er ook goede redenen kunnen zijn om het rekenwerk van een pensioenfonds na te willen lopen. In toekomstige gevallen zou een – duidelijker en slimmer ingestoken – inzageverzoek dus misschien wél moeten slagen.

 

Watsonlaw levert juridisch advies en bijstand aan ondernemingen bij de naleving van hun AVG-verplichtingen. Heeft u vragen over de reikwijdte van inzagerechten en hoe u het beste op inzageverzoeken van betrokkenen kunt reageren? Neem contact op met:

Inge Lakwijk
advocaat

 

 

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-12-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8926, Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9603, Rechtbank Midden-Nederland 24-12-2025, ecli:NL:RBMNE:2025:6857, Rechtbank Noord-Holland 8 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:45; Rechtbank Overijssel 20 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:283 en ECLI:NL:RBOVE:2026:284.
  2. HvJ EU 20-12-2017, C434/16, ECLI:EU:C:2017:994
  3. Niet alleen lijkt de benadering van het begrip ‘persoonsgegeven’ in het Nowak-arrest ruimer te zijn dan in het IND-arrest, ook lijkt de benadering van het begrip ‘inzage’ nog eens verruimd te zijn met het arrest F.F./Österreichische Datenschutzbehörde, HvJ EU 04-05-2023, C‑487/21.
  4. Rb. Overijssel 20 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:284, r.o. 5.6.
  5. De inrichting van een berekening kan allerlei normatieve keuzes (en biases) bevatten, maar als de berekeningsmethode eenmaal is uitgedacht, kan hij daarna exact op dezelfde manier op talloze individuele gevallen worden toegepast.
  6. Artikel 22 lid 3 AVG bepaalt dat, wanneer een besluit gebaseerd wordt op een geautomatiseerde berekening, door de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen moeten worden getroffen te bescherming van de rechten en vrijheden en gerechtvaardigde belangen van de betrokkene, “waaronder ten minste het recht op menselijke tussenkomst van de verwerkingsverantwoordelijke, het recht om zijn standpunt kenbaar te maken en het recht om het besluit aan te vechten.” Het recht om een standpunt kenbaar te maken, kan uiteraard niet zinvol worden gewaarborgd zonder de betrokkene in staat te stellen zich een onderbouwd standpunt te vormen.