08 apr Verkeerde partij gedagvaard? Voor de rechtbank is de zaak dan over.
Het komt wel eens voor dat een partij die een geschil heeft met een ander de verkeerde dagvaardt. Dat leidt tot niet-ontvankelijkheid. Maar in deze zaak, over een aandelenoverdracht, legt de rechtbank toch uit dat de partij die de procedure startte toch had verloren.
In deze zaak sluit een managementadviesbureau een overeenkomst van opdracht met een bedrijf dat werkgevers adviseert over het plaatsen van technisch personeel (‘uitzendbureau’). Daarvoor krijgt het managementadviesbureau een maandelijkse vergoeding van € 5.000. Maakt het uitzendbureau door deze samenwerking meer winst, dan krijgt het managementadviesbureau daarvan een percentage. Daarnaast zou het managementadviesbureau een derde van de aandelen in de BV van de opdrachtgever krijgen.
Aandelenoverdracht
Kort na het sluiten van deze overeenkomst ontstaat een meningsverschil. De opdrachtgever verlangde dat het managementadviesbureau een geheimhoudingsverklaring zou tekenen met daarin een relatie- en wervingsbeding. Het managementadviesbureau wilde zich niet binden aan dit beding. Enige tijd later annuleert de opdrachtgever de overeenkomst van opdracht. Bij de rechtbank Limburg vordert het managementadviesbureau dat de opdrachtgever meewerkt aan de notariële overdracht van een derde van het uitstaande aandelenkapitaal in de BV van het uitzendbureau, zoals afgesproken. En anders moet de rechtbank daarvoor vervangende machtiging verlenen.
Verkeerde partij
Maar de rechtbank wijst dit af, op formele én inhoudelijke gronden. Het managementadviesbureau heeft namelijk de verkeerde partij gedagvaard: niet het uitzendbureau maar de enige aandeelhouder daarvan. Deze aandeelhouder, een BV, heeft één bestuurder, die ook weer bestuurder is van het uitzendbureau. Verwarring ligt dus voor de hand. Maar nu de verkeerde partij is gedagvaard, wordt het managementadviesbureau niet-ontvankelijk verklaard.
Verkennende fase
In feite is de zaak daarmee over. Toch beantwoordt de rechtbank de vraag of het uitzendbureau de aandelen had moeten leveren. Uit de stukken is gebleken dat de samenwerking tussen het managementadviesbureau en het uitzendbureau tijdelijk van aard zou zijn. Deze periode had het karakter van een verkennende fase, waarin werd bekeken of een verdere samenwerking – en daarmee de aandelenoverdracht – mogelijk zou zijn. Omdat het aandeelhouderschap en mede-eigenaarschap gepaard gaan met verantwoordelijkheden en risico’s, achtte de bestuurder van het uitzendbureau het van belang eerst te beoordelen hoe het managementadviesbureau in die rol zou functioneren. Kortom, de aandelenoverdracht stond niet vast, dit was slechts een mogelijk einddoel van de samenwerking.
Tegenprestatie
Wat ook speelt: het is een feit van algemene bekendheid dat een eenmaal gerealiseerde aandelenoverdracht in een BV niet eenvoudig ongedaan kan worden gemaakt zonder medewerking van de betrokken partijen. Het is dus logisch dat de bestuurder, voorafgaand aan een eventuele aandelenoverdracht, zekerheid wilde over de geschiktheid van het managementadviesbureau als ondernemer, daarover bestonden namelijk twijfels. Verder vertegenwoordigen aandelen in een vennootschap een zekere waarde en het ligt voor de hand dat tegenover de levering van de aandelen een tegenprestatie staat. Partijen wilden aanvankelijk wel samenwerken en winst maken, maar het uitzendbureau heeft niet bedoeld om, als die samenwerking mislukte, alsnog aandelen ‘om niet’ aan het managementadviesbureau over te dragen. Om die redenen wijst de rechtbank de vordering van het managementadviesbureau af: deze krijgt niet de aandelen van het uitzendbureau.