28 apr Complexe vorderingen kunnen niet in faillissementsprocedure worden behandeld
Er worden hoge eisen gesteld aan het verzoek om een andere partij failliet te verklaren. En als er ook nog eens vorderingen over en weer zijn, dan zal de rechtbank een faillissementsverzoek eerder afwijzen: ingewikkelde financiële geschillen kunnen niet aan de orde komen in een faillissementsprocedure.
Dat blijkt weer uit deze zaak. Een vrouw heeft een schuld aan een bedrijf. De dochtermaatschappij van dit bedrijf heeft weer een hogere schuld aan de vrouw. Deze vorderingen vloeien voort uit een geschil tussen de twee bedrijven en de vrouw. Dit geschil gaat over financiële verplichtingen uit eerdere bestuurs- en aandeelhoudersrelaties. Het moederbedrijf draagt de vordering via een overeenkomst van cessie over aan een derde partij.
Vorderingen over en weer
Deze (nieuwe) schuldeiser vraagt het faillissement van de vrouw aan. Hij heeft een opeisbare vordering op haar en die wordt niet betaald. Er is ook een (wettelijk vereiste) steunvordering: de zus van de vrouw heeft haar een aanzienlijk bedrag geleend en dit bedrag is ook al niet terugbetaald, aldus de schuldeiser. De vrouw stelt dat de lening met haar zus een voorschot op haar erfenis is (als de zus is overleden); zij hoeft dit niet terug te betalen. De vrouw zelf heeft een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid op de (indirecte) bestuurders van de dochteronderneming, waaronder het moederbedrijf. Zij wil dit verrekenen met de vordering die de schuldeiser op haar heeft. De vrouw beweert dat zij niet verkeert in een toestand waarin zij is opgehouden te betalen. Zij heeft recent nog een derde schuldeiser betaald.
Opgehouden te betalen
De Faillissementswet bepaalt dat de rechter op verzoek van een schuldeiser het faillissement uitspreekt als een schuldenaar is opgehouden met betalen. Er moet aan twee voorwaarden zijn voldaan: de schuldeiser moet een vorderingsrecht hebben en de schuldenaar (hier: de vrouw) moet zijn opgehouden met betalen. Dit vereist weer dat er meerdere schuldeisers zijn.
Steunvordering
De schuldeiser stelt wel dat er een steunvordering is maar nu de vrouw dit betwist, moet de schuldeiser dit goed onderbouwen. Daarin is hij niet geslaagd, oordeelt de rechtbank. De vrouw is wel geld verschuldigd aan haar zus, maar die heeft verklaard de geldlening niet op te eisen omdat het een voorschot op haar erfenis is. Hiertegen heeft de schuldeiser onvoldoende ingebracht. In een faillissementsprocedure is geen ruimte om bijvoorbeeld de zus over deze kwestie te horen. Er is dus niet aangetoond dat de vrouw is opgehouden met betalen.
Lege vennootschap
Dat blijkt ook ergens anders uit. De vordering van de schuldeiser vloeit voort uit een geschil waarbij de oorspronkelijke schuldeiser (het moederbedrijf) een vordering had op de vrouw, en de vrouw op de dochtermaatschappij van het moederbedrijf. De schuldeiser heeft niet toegelicht waarom zij niet beslag kon leggen op de dochtermaatschappij om haar vordering op het moederbedrijf te innen. Haar stelling dat de dochtermaatschappij een lege vennootschap is, wil de rechtbank niet zomaar aannemen, omdat het moederbedrijf en de schuldeiser dezelfde eigenaar delen. Daarnaast had de schuldeiser, of de oorspronkelijke schuldeiser (het moederbedrijf), invloed op de activa van de dochtermaatschappij. Binnen de faillissementsprocedure kunnen dit soort financiële geschillen niet worden beslecht. Ook daarom wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af.