Bedrijf heeft grote vrijheid om eigen ‘governance’ in te richten

Bedrijf heeft grote vrijheid om eigen ‘governance’ in te richten

Een zorginstelling wil haar raad van bestuur en raad van commissarissen uitbreiden met twee aandeelhouders. De ondernemingsraad verzet zich daartegen. Volgens de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam komt een dergelijke instelling een grote mate van vrijheid toe om de eigen ‘governance’ in te richten – zeker als er allerlei waarborgen zijn ingebouwd.

Een private zorginstelling wil haar ‘governance’ – de wijze waarop het wordt bestuurd – veranderen. Het plan is dat de raad van bestuur (RvB, nu twee leden) en de raad van commissarissen (RvC, nu drie leden) elk worden uitgebreid met twee nieuwe leden. Die nieuwe leden zijn al aandeelhouder. Zo kan, stelt de instelling, beter toezicht worden gehouden. De zorginstelling is een groot bedrijf, toezicht is complex en gaat gepaard met grote verantwoordelijkheden. Daarom is uitbreiding nodig. De instelling is een joint venture van twee dochtervennootschappen en elk van hen zal twee aandeelhouders leveren voor de RvB en de RvC. De minister heeft de statutenwijziging goedgekeurd – de instelling valt onder de Wet forensische zorg – en de cliëntenraad heeft positief geadviseerd.

Afweging van alle belangen

Maar de ondernemingsraad van de instelling verzet zich tegen dat voornemen: meer invloed van aandeelhouders doet afbreuk aan de ‘eigenstandigheid’ van de instelling. Bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam vecht de ondernemingsraad het uitbreidingsbesluit aan. In de Wet op de ondernemingsraden kan een ondernemingsraad uitsluitend beroep instellen tegen een besluit ‘als de ondernemer bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen’. De Ondernemingskamer kan niet meer doen dan het besluit van de zorginstelling marginaal toetsen. Voorop staat dat een ondernemer de vrijheid heeft om haar eigen beleid te bepalen, ook over de inrichting van de bestuursstructuur.

Eigenstandigheid

In deze zaak was het begrip ‘eigenstandigheid’, waarop de ondernemingsraad zich beroept, opgenomen in de aandeelhoudersovereenkomst die is gesloten tussen de dochtervennootschappen. Zij kunnen zelf bepalen hoe ze dit begrip invullen. De ondernemingsraad is geen partij bij de aandeelhoudersovereenkomst en hij kan daaraan dan ook geen aanspraak ontlenen.

Belangenverstrengeling

Voor de Ondernemingskamer is verder van belang dat de wijziging in de governance geen wijzigingen meebrengt in de bevoegdheden van RvB en RvC. Ook speelt mee dat het niet ongebruikelijk is dat joint venture partners zitting nemen in het bestuur. De Ondernemingskamer wijst er nog op dat zij, bij een reëel risico op belangenverstrengeling, verhoogde zorgvuldigheid in acht dienen te nemen. Dat deze partners aandeelhouders zijn, betekent nog niet dat het besluit dat zij zitting nemen in het instellingsbestuur in redelijkheid niet kon worden genomen.

Waarborgen

Dat geldt ook voor de benoeming van de aandeelhouders in de RvC. De onafhankelijkheid van de commissarissen blijft gewaarborgd, merkt de Ondernemingskamer op: zij stemmen op grond van de statuten zonder last of ruggespraak. Verder is er een door de minister benoemde commissaris, die als bijzondere taak heeft toezicht te houden op de naleving van de Wet forensische zorg. Bij conflicten wordt de minister geconsulteerd en de minister heeft bijzondere zeggenschap bij belangrijke besluiten, waaronder statutenwijzigingen, juridische fusies en splitsingen, en bepaalde overeenkomsten. Zo zijn verschillende waarborgen ingebouwd voor een onafhankelijke taakinvulling door de commissarissen.

Medezeggenschapstraject

De Ondernemingskamer wijst er tot slot op dat het medezeggenschapstraject voorafgaande aan het besluit netjes is verlopen. Er is continu en uitgebreid met de ondernemingsraad overlegd, vragen zijn altijd afdoende beantwoord en de ondernemingsraad kreeg steeds de stukken waar hij om vroeg. Het besluit is goed gemotiveerd. Opgeteld oordeelt de Ondernemingskamer dat niet kan worden gesteld dat de zorginstelling niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het verzoek van de ondernemingsraad wordt afgewezen, de zorginstelling mag de RvB en de RvC uitbreiden met de aandeelhouders.