Bestuurders aansprakelijk voor faillissementstekort maar hoeven niets te betalen

Bestuurders aansprakelijk voor faillissementstekort maar hoeven niets te betalen

Als bestuurders van een vennootschap persoonlijk aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort, moeten zij dit doorgaans uit eigen zak betalen. Maar de rechter kan dit bedrag matigen, zoals in deze zaak gebeurde.

Als een horecavennootschap failliet gaat, worden de drie bestuurders door de curator gedagvaard. Die vraagt de rechtbank voor recht te verklaren dat dit drietal hun bestuurstaak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de vennootschap en dat zij alle drie hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort. De rechtbank veroordeelt hen een schadevergoeding te betalen en een voorschot op de faillissementskosten van € 400.000. Het drietal gaat in hoger beroep.

Jaarrekeningen

Ook het gerechtshof Den Haag moet beoordelen of de bestuurders aansprakelijk zijn voor het tekort in het faillissement. Van belang is dat de jaarrekening van de vennootschap over 2016 te laat en de jaarrekeningen over 2017 en 2018 niet zijn gedeponeerd. Dit betekent dat de onbehoorlijke taakvervulling van de bestuurders vaststaat. Dan wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De bestuurders zeggen wel dat de coronacrisis het faillissement heeft ingeluid maar daar gaat het hof niet in mee. Zij zijn aansprakelijk voor het faillissementstekort.

‘Ongerijmde conclusie’

Van belang is ook dat de schuldeisers hierdoor niet zijn benadeeld. Tijdens de herstructurering van de vennootschap zijn de schuldeisers betaald. Dit leidt tot – in de woorden van het hof – tot een ‘ongerijmde conclusie’: er is geen sprake van schuldeisersbenadeling maar de bestuurders zijn wel aansprakelijk voor het tekort in het faillissement. Maar kunnen zij dan aansprakelijk worden gehouden voor het gehele faillissementstekort? De bestuurders beroepen zich op matiging.

Matiging

In het Burgerlijk Wetboek staat dat de rechter het bedrag waarvoor bestuurders aansprakelijk zijn kan verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt. De rechter let daarbij op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurders, de andere oorzaken van het faillissement en de wijze waarop het faillissement is afgewikkeld.

Geen behoorlijk onderzoek

Het hof had al de geringe aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurders vastgesteld. Ernstiger was de werkwijze van de curator: die had zich een gedegen oordeel moeten vormen van het faillissementstekort vóór de bestuurders daarvoor aansprakelijk te houden en een procedure tegen hen te beginnen. Het hof constateert dat de curator geen behoorlijk onderzoek heeft gedaan naar de ingestelde vorderingen.

Proceskosten

Het hof vernietigt dan ook het vonnis van de rechtbank waarin de bestuurders waren veroordeeld tot schadevergoeding en tot betaling van een voorschot op de faillissementskosten. De bestuurders zijn door de rechtbank ook ten onrechte veroordeeld in de proceskosten. Wel stelt het hof dat de bestuurders hun bestuurstaak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld, dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort. Maar het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn wordt door het hof gematigd tot nihil. De curator moet op de blaren zitten: hij verliest deze zaak en moet de proceskosten van de bestuurders in eerste aanleg en in hoger beroep vergoeden, een bedrag van € 22.439.