Status van bestuursrechtelijke geldschulden die voortvloeien uit de handhaving van het milieurecht in faillissement

Status van bestuursrechtelijke geldschulden die voortvloeien uit de handhaving van het milieurecht in faillissement

Volgens vaste rechtspraak van de bestuursrechter is de faillissementscurator vanaf de faillietverklaring verantwoordelijk voor de naleving van de milieurechtelijke verplichtingen ‘van de boedel’. Het is hierbij niet van belang of hij de onderneming van de gefailleerde heeft voortgezet.

Uit de rechtspraak volgt dat de curator dwangsommen kan verbeuren en kosten van bestuursdwang verschuldigd kan worden als gevolg van een milieuverontreiniging die van vóór het faillissement dateert. Als de milieuwetgeving niet wordt nageleefd dan kan de gemeente handhavend optreden door het opleggen van een last onder bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom. Wanneer de overtreder failliet gaat, zullen ook deze vorderingen in het faillissement ingediend moeten worden. Het is onduidelijk welke status en rangorde deze vorderingen in het faillissement hebben. Gaat het om vorderingen die ter verificatie moeten worden ingediend of is er sprake van boedelschulden? Hierover stelde de Rechtbank Rotterdam prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

De casus

In de procedure bij de Rechtbank Rotterdam ging het over een taxicentrale die zich bezig hield met het wassen van taxi’s in een wasstraat. De gemeente constateerde dat het taxibedrijf de wet- en regelgeving overtrad, omdat de taxicentrale de verplichte vloeistofdichte coating niet had aangebracht bij de wasstraat. Vervolgens ging de taxicentrale failliet. De gemeente wijst de curator op de verplichting om een bodemonderzoek te verrichten, omdat er een bodembedreigende activiteit is verricht. De curator laat dit verrichten en daaruit blijkt dat er aanleiding bestaat tot nader bodemonderzoek. De curator weigert gehoor te geven aan de verzoeken van de gemeente hierover. Vervolgens legt de gemeente aan de curator twee handhavingsbesluiten op. Een last onder bestuursdwang ten aanzien van het vervolgonderzoek en een last onder dwangsom in verband met het herstel van de bodemkwaliteit. Omdat de curator hier niet aan voldoet ziet de gemeente zich genoodzaakt om maatregelen te nemen. De kosten worden ingediend in het faillissement.

Vorderingen in het faillissement

Als de vordering in faillissement als boedelschuld wordt aangemerkt, dan kan het bedrag in zijn geheel uit de boedel worden betaald als de boedel toereikend is. Voldoet een vordering niet aan de voorwaarden om als boedelschuld te worden aangemerkt, dan is het een niet-verifieerbare vordering. Deze worden pas betaald nadat alle boedelschulden zijn betaald, waardoor de kans veel kleiner is dat de vordering voldaan wordt. De gemeente wil daarom dat de vordering gekwalificeerd wordt als boedelschuld.

De rechtbank wil een einde maken aan de onduidelijkheid en stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De eerste vraag is of de schulden in verband met niet-naleving van milieuvoorschriften als boedelschulden, verifieerbare concurrente faillissementsschulden of niet-verifieerbare schulden gekwalificeerd moeten worden.

Conclusie advocaat-generaal Valk

De conclusie van advocaatgeneraal Valk werd op 1 maart 2021 gepubliceerd. Hij meent dat de schulden die uit die handhaving voortvloeien met voorrang moeten worden voldaan. “Legt het bestuur aan een faillissementscurator een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op, dan past het in het stelsel van de Faillissementswet (Fw) om de daaruit voor de curator voortvloeiende rechtsplicht op te vatten als een verplichting tot de failliete boedel behorende in de zin van art. 25 Fw. (..) Het zijn immers schulden die het gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verplichting.”

Conclusie

De advocaatgeneraal vindt dat deze schulden gekwalificeerd kunnen worden als boedelschulden, waardoor de overheid een sterke voorrangspositie krijgt die niet in de wet staat. Gevolg daarvan is dat de overheid, met de juiste timing, een vordering wellicht zelf kan verheffen tot een boedelschuld. Dit is volgens de advocaatgeneraalonwenselijk, maar dat zou de wetgever moeten aanpakken.

Als de Hoge Raad de conclusie van de advocaatgeneraal volgt, dan betekent dit dat er in de praktijk niets verandert. In dat geval kan de curator worden aangesproken bij handhaving van het milieurecht. Schulden die daardoor ontstaan zijn voor rekening van de boedel.