22 jul Rechtbank kondigt niet zomaar een afkoelingsperiode af
Bedrijven in moeilijkheden kunnen om een ‘afkoelingsperiode’ vragen om in alle rust een schuldeisersakkoord voor te bereiden. Maar de wet stelt daaraan strenge eisen, en daaraan was in deze zaak niet voldaan.
Een BV drijft een onderneming gericht op de inhuur van extern personeel. Deze vennootschap kampt met liquiditeitsproblemen die zijn ontstaan na beëindiging van een belangrijke zakelijke relatie en negatieve publiciteit. Er kwam minder geld binnen, opdrachtgevers beëindigden contractuele relaties. De situatie waarin de BV zich bevindt is – naar eigen zeggen – een Whoa-toestand: de vennootschap kan haar schulden niet meer voldoen, stevent af op een faillissement maar is in de kern wel nog levensvatbaar. De Wet homologatie onderhands akkoord biedt bedrijven in zo’n geval de mogelijkheid om met schuldeisers een akkoord te sluiten om zo een faillissement te voorkomen.
Afkoelingsperiode
Deze vennootschap verzoekt de rechtbank Gelderland om een ‘afkoelingsperiode’ van maximaal vier maanden. In die tijd mogen schuldeisers geen verhaal halen, dus dat geeft enige rust. De vennootschap gaat ervan uit dat zij zonder afkoelingsperiode failliet zal gaan. Er zijn al faillissementsaanvragen ingediend en beslagen gelegd. De afkoelingsperiode is noodzakelijk om de onderneming tijdens de voorbereiding van een akkoord, dat zij binnen twee maanden aan haar schuldeisers wil aanbieden, te kunnen voortzetten, verhaalsacties te voorkomen en haar liquiditeitspositie te stabiliseren en inzichtelijk te maken. Haar aandeelhouder is bereid middelen ter beschikking te stellen voor een akkoord. Gedurende de afkoelingsperiode zal de BV haar lopende verplichtingen wel voldoen. De BV stelt ook dat schuldeisers onder een Whoa-akkoord beter af zullen zijn dan in een faillissement.
Meerwaarde
Maar de schuldeisers zien dit niet zitten en vinden dat de rechtbank het verzoek moet afwijzen. De liquiditeitscrisis is juist ontstaan – vermoeden zij – doordat de BV betalingen verrichtte aan haar aandeelhouder, wat zij niet rechtmatig vinden. Ze denken ook niet dat er op korte termijn een akkoord ligt dat voor hen meerwaarde heeft. Hun belangen zijn niet gediend bij het afkondigen van een afkoelingsperiode.
Verzoek om afkoelingsperiode
In de Faillissementswet staat dat een schuldenaar de rechtbank kan verzoeken een afkoelingsperiode af te kondigen, als een akkoord is aangeboden of als de schuldenaar toezegt dit binnen twee maanden te doen. Het verzoek wordt toegewezen als summierlijk blijkt dat de afkoelingsperiode noodzakelijk is om de onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of gecontroleerd af te wikkelen. Ook is vereist dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij zijn gediend.
Afwijzen
Volgens de rechtbank kan dit laatste niet goed worden vastgesteld. Er is geen cijfermatige onderbouwing waaruit zou moeten blijken dat aan de lopende verplichtingen kan worden voldaan. Een adviesbureau schatte de liquidatiewaarde maar kon de cijfers die daaraan ten grondslag liggen niet verifiëren. Nu al aan één eis voor het afkondigen van de afkoelingsperiode niet is voldaan en dus het risico bestaat dat de schulden tijdens een eventuele afkoelingsperiode zullen toenemen, wijst de rechtbank het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode af. En zonder afkoelingsperiode kan de rechtbank ook geen observator aanstellen, waar de BV ook om had gevraagd, en kunnen de gelegde beslagen ook niet worden opgeheven.