26 mei Factuur sturen paar dagen voor faillissementsaanvraag: bestuurder persoonlijk aansprakelijk
Een aannemer is niet in staat om de verbouwing van een woning af te ronden. Aan het eind van de werkzaamheden vraagt hij het faillissement van zijn bouwbedrijf aan. De woningeigenaren blijven zitten met de schade. Moet de aannemer dit uit eigen zak betalen?
Een echtpaar schakelt een aannemer in voor de verbouwing van hun woning. De aanneemsom bedraagt ruim € 441.000, die in achttien termijnen moet worden betaald, steeds voorschotten op uit te voeren werkzaamheden. De termijnen zouden ongeveer gelijklopen met de stand van het werk. Dit gaat lange tijd goed. Begin oktober 2025 wordt termijn 16 betaald (€ 26.476), half november valt de factuur voor termijn 17 op de mat (hetzelfde bedrag). Beide facturen worden betaald. Drie dagen na de zeventiende factuurdatum vraagt de bestuurder het faillissement van het bouwbedrijf aan. Het echtpaar vindt dat de bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor hun schade en probeert dit via de rechtbank Den Haag te verhalen.
Voldoende ernstig verwijt
Uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor dergelijke schade. Maar soms kan ook de bestuurder van die vennootschap worden aangesproken: als die namens de vennootschap heeft gehandeld of heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt. Wel moet de bestuurder dan een voldoende ernstig verwijt treffen, bijvoorbeeld als de bestuurder wist – of behoorde te begrijpen – dat zijn bedrijf niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Dit wordt de Beklamel-norm genoemd.
Financiële buffer
Het echtpaar stelt dat het niet eens zo raar is dat het aannemingsbedrijf geen verhaal biedt. Toen het bedrijf werd opgericht (een jaar voor de verbouwing van hun huis) werd er heel weinig kapitaal (€ 1.200) gestort, zodat er vrijwel geen buffer was om eventuele tegenvallers op te vangen. Maar daar is de rechtbank het niet mee eens. Van een startend bedrijf kan niet worden verlangd dat er een financiële buffer is. Nergens blijkt dat het bedrijf, toen met de werkzaamheden voor het echtpaar werd begonnen, kon voorzien dat het niet in staat zou zijn het werk te voltooien. Op dit punt is niet voldaan aan de Beklamel-norm voor aansprakelijkheid.
Voorschot
Ook op de zestiende termijnfactuur valt weinig op te merken. Het echtpaar stelt: die was nog niet verschuldigd gezien de stand van de werkzaamheden. Maar dit betekent volgens de rechtbank nog niet dat de bestuurder toen wist of behoorde te weten dat hij de werkzaamheden die bij dat voorschot hoorde niet zou kunnen uitvoeren. De bestuurder had in die periode wel € 62.000 geleend aan zijn bouwbedrijf, maar dat duidt alleen op een liquiditeitstekort – niet dat het faillissement onafwendbaar was.
Uit eigen zak betalen
Anders is het met de zeventiende termijnfactuur. Drie dagen nadat het echtpaar deze rekening had betaald, besloot de bestuurder het faillissement van zijn bouwbedrijf aan te vragen. Gelet op dit zeer korte tijdsbestek gaat de rechtbank ervan uit dat op die betaaldag de penibele financiële situatie zo penibel was, dat het faillissement van het bouwbedrijf onafwendbaar of zeer waarschijnlijk was. Omdat algemeen bekend is dat concurrente crediteuren in een faillissement vrijwel altijd achter het net vissen, is de rechtbank van oordeel dat de bestuurder had moeten afzien van het laten betalen van de zeventiende voorschotfactuur. Op dit punt kan de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij moet dan ook het bedrag van die laatste factuur uit eigen zak aan het echtpaar terugbetalen.